Den Bosch

Een stukje geschiedenis over onze stad Den Bosch oftewel tijdens carnaval Oeteldonk.

Geschiedenis Den Bosch

De stad dankt haar officiële naam aan des hertogen bos, het bos van de hertog.
In de omgangstaal heeft vrijwel iedereen het kortweg over Den Bosch. Die hertog was Hendrik I van Brabant. Hij was zesentwintig jaar toen hij Den Bosch in 1185
stadsrechten met bijbehorende handelsprivileges verleende. Dat was puur eigenbelang. In de noordhoek van zijn hertogdom had hij namelijk een sterk bolwerk nodig, ter bescherming tegen Gelre en Holland. Den Bosch heeft van die bevoorrechte positie de lusten gehad, maar ook de lasten. Een bloeiperiode tot rond 1520 en veel ellende daarna. Vijftig jaar lang onder Spaans gezag. De vergeefse belegeringen door Prins Maurits die de stad wilde inlijven bij de Republiek der Verenigde Provinciën. De definitieve verovering door Frederik Hendrik in het roemruchte jaar 1629, waardoor Den Bosch van het hertogdom werd afgesneden. In 1794 nieuwe rampspoed: Franse troepen onder veldheer Pichegru nemen de stad in. In 1814 breken betere tijden aan ; de Fransen worden door Pruisische troepen de stad uitgejaagd, en een jaar later wordt Den Bosch bij de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden hoofdstad van de provincie Noord-Brabant. Wat herinnert er nu nog aan die vervlogen tijden? Op de eerste plaats de St.Janskathedraal die gebouwd werd in de bloeitijd van de stad. Voorts het huis De Moriaan, het Kruithuis, het fort de Citadel, het stadhuis en vooral ook de grotendeels onveranderd gebleven structuur van de stadskern: het stramien van bochtige straten binnen de gordel van deels nog bestaande stadswallen met als centrum de driehoekige Markt, het oudste plekje van de stad. In Den Bosch is meer te zien en te beleven dan hier is opgesomd. De huizen in hun verscheidenheid van vormen, kleuren en stijlen. Het oude naast het nieuwe. Het voorbije naast het groeiende. De sfeer die bepaald wordt door de steeds wisselende taferelen, de straatterrassen in de zomer, de carillons, de marktkooplieden, de reeks van evenementen en ook door de talrijke bezoekers die zich voelen aangetrokken tot deze historische en culturele stad en haar opgewekte bosschenaren.

D’n Draak

Op 20 mei 1894 overlijdt de Commissaris der koningin jonkheer meester Paulus Jan Bosch van Drakestein. Hij laat Den Bosch een legaat na van tienduizend gulden om een fonteinmonument op te richten. Hij wil hiermee de herinnering bewaren aan zijn echtgenote en tweeling-dochters die hem in de dood zijn voorgegaanIn 1899 wordt er een prijsvraag uitgeschreven. Drie ontwerpen worden bekroond maar de gemeenteraad keurt de ontwerpen af. Ingenieur-stadsarchitect J. Dony wordt gevraagd. Hij ontwerpt de Draak. Winter van 1902-1903: Beeldhouwers Jac en Jos Goossens, 33 en 34 jaar oud, gaan met het ontwerp aan de slag. Het is hun eerste opdracht, zij hebben net een atelier in de Engelse Pispot geopend. Ze doen hun werk in de barre winter. Om te voorkomen dat de beitels in hun handen vastvriezen moeten ze die telkens warm houden.Nadat de draak in 1999 gerestaureerd was is hij later van zijn plekje (voor het station) gevallen. Lange tijd is het onzeker geweest maar inmiddels is de draak terugplaatst en wel met het gezicht naar de binnenstad gekeerd.

De Bossche Bol

De Bossche bol is echt iets Bosch, je kunt het in bijna elk Bosch café krijgen. Ook vaak bij de warme bakker. De Bossche bol is gevuld met slagroom en omhuld met chocolade. De bekendste Bossche bollen-bakker is bakkerij Jan de Groot. Mensen die in andere steden wonen en de naam ‘s-Hertogenbosch horen, denken meestal gelijk aan Bossche bollen.

Bosche koek

Genoeg van die enorme Bossche bol maar wel zin iets lekkers?ga dan eens voor het alternatief: de Bossche koek! Volgens het verhaal vond het zoontje van Jules de Backer (what’s in a name) op de zolder  in 2001 het authentieke recept voor deze kruising tussen een kruidkoek en cake. Het recept was ooit ontwikkeld door opa Jan de Backer. Oorspronkelijk waren er meerdere soorten Bossche koek.  Iedere familie had zo zijn eigen variant. Maar de populairste soort was de zachte Bossche koek en dan vooral die van Jan de Backer. De koek wordt volgens het originele recept gebakken in een houten kistje.  De Bossche koek kan daardoor tot drie maanden goed blijven. En er schijnen mensen te zijn die ook zo lang wachten voor ze hun koek aansnijden omdat hij van bewaren alleen maar lekkerder schijnt te worden. Vooralsnog is de koek vrijwel alleen in Brabant en via internet (www.bosschekoek.nl) te krijgen, maar tijdens de Bakkerij Dagen introduceert men  de Bossche koek bij vakgenoten in de rest van Nederland. Het ligt in de bedoeling dat warme bakkers  overal in den lande de Bossche Koek in hun assortiment op gaan nemen zodat ze ook in Groningen en Maastricht de authentieke smaak kunnen leren kennen.

Wim Kersten

Schoenenverkoper en liedjesschrijver
‘Wim  Kersten is een fenomeen’, schreef Gerrit den Braber. Volgens Toon Hermans [in 1987] was Kersten een heer uit Den Bosch, een buitengewone muzikale Bossche bol.’
Kersten schreef over alle dag met af en toe een klein moraaltje. Hij heeft een nieuwe traditie toegevoegd : de typische Oeteldonkse carnavalsound. Hij kan hij terecht ‘de Vader van het Oeteldonkse lied’ worden genoemd. De voormalige bescheiden en humorvolle schoenwinkelier [tot  1-1-1988] uit de Kerkstraat 41, waagde zich op aandringen van Theo Trimbosch in 1960 aan deelname aan het Oeteldonks Kwekfestijn. Met ‘Ge moet het vuule’ werd het een tweede plaats. Pas in 1963 scoorde hij als eerste en later [Keukendeur] nog eens als tweede. Als de Twee Pinten zong hij jaren achtereen, eerst met Joep Peeters [1963-1968] toen vijf jaar solo en vanaf 1973 met Mari van de Velden en Tony Faes als ‘De Viltjes’.
Voor zijn succes heeft hij nimmer zijn schoenenzaak willen opgeven.Kersten schreef tientallen liedjes en bracht naast elpee’s ook een cd uit. ‘Bij ons staat op de Keukendeur’ [1969], ‘Woensdagmorgen krijg je rode rozen’ [1976], ‘Een bloemetjes gordijn’ en ook ‘Er is een Amsterdammer doodgegaan’ [1e prijs A’dam liedjesfestival],  ‘Onze Kleine St.Jan’ sloeg op de kathedraal in Madurodam. Sommigen werden zelfs in het buitenland uitgebracht.  De op en top Bosschenaar, die zich alleen hier thuis voelde, ontving voor zijn verdiensten de Culturele stadspenning van ‘s-Hertogenbosch [1996], voor zijn inzet voor Oeteldonk  [o.a. het bejaardencarnaval]: de Moeder Truus Pofffer [1990], en Theater aan de Parade eerde hem met een borstbeeld, Kersten figureerde ooit ook als Moeder Hendrien. In 1988 kreeg hij als tekstschrijver de Edison [1988] uitgereikt en tien jaar later de Falco Vegelinprijs.
Zo tussen de mensen, maar wel in Den Bosch.
Wim Kersten was geen cosmopoliet. Eind 1980 werd hij door PSV uitgenodigd voor de finale van het EK voetbal in München, Wim zou er een lied voor schrijven: ’De Cup met de grote oren’. Maar zijn paspoort bleek al dertig jaar te zijn verlopen. Wim had hooguit een weekeindje in Cadzand en Knokke doorgebracht. Het was geen prototype van een gezinsmens. Hij had moeite zijn gevoelens te uiten. In het gezin liet hij de trekkersrol over aan zijn vrouw Rietje van wie hij veel afhankelijker was dan ie liet blijken. Wim was meer een buitenmens.In zijn jeugd deed ie veel aan sport: zwemmen, zeilen,fietsen, hij was lid van de hockeyclub.Iemand die geïnteresseerd was in alles wat in Den Bosch gebeurde. Zijn zakelijke ambities bleven beperkt tot schoenen verkopen, maar aan lastige klanten had ie een broertje dood. Gekleed in zin geruite colbertje met bruine broek en klassieke brooks. Daar stond hij dan in een karakteristieke houding in de halve deur van zijn winkel in de Kerkstraat 41,  zo van [Lathouwers interpretatie]: ‘Heb het lef niet hier binnen te komen…’.
Als een lastig portret hem niet aanstond, en die om een bepaalde schoen vroeg, zei hij ronduit dat het model was uitverkocht….
Wim was nuchter, een realist, geen idealist, erg relativerend. Het was voor hem moeilijk zijn eigen gevoelens te uiten. Hij vermeed diepzinnige gesprekken. Om zijn gevoelens te leren kennen moet je maar naar zijn liedjes luisteren. Wim was, als gezelschapsman een andere Wim. Die momenten zocht hij met een glaasje brandewijn, soms een slachtoffer zoekend [bijvoorbeeld Rietje], met wie hij ruim 50 jaar heeft samen geleefd. Zij speelden in woorden met elkaar. Toen Rietje in 1999 overleed knapte er iets bij hem.
Wim leek er onverschillig onder te blijven, maar het zat dieper. Zijn afhankelijkheid van Rietje was veel groter dan ie zelf durfde  inschatten. Vanaf 1999 heeft ie de piano nooit meer aangeraakt. …..

Piet de Gruijter

Piet de Gruijter opende in 1818 zijn eerste grutterswinkeltje in Den Bosch. In de toptijd omvatte De Gruyter ruim 550 winkels en telde bijna 7.500 werknemers. In 1970 werd De Gruyter overgenomen door de SHV en binnen tien jaar was het tijdperk van het kruideniersimperium voorbij; de firma werd verkocht en opgeheven. De fabriek aan de Smalle Haven, die in 1904 was gebouwd, werd in 1980 gesloopt.

De Sint Jan

De eerste beginselen van onze basiliek dateren van rond 1220!
Toen nog een eenvoudige kerk in Romaanse stijl. Hieronder een aantal ‘weetjes’

DE BINNENDIEZE

De Binnendieze speelde eeuwenlang een hoofdrol in de geschiedenis van

‘s-Hertogenbosch. Dit riviertje was vaarweg, wasplaats, vestinggracht, stortplaats, watervoorziening en viswater. Uiteindelijk verkommerde het watertje als riool. Bijna werd het helemaal gedempt.

Het is niet toevallig dat de stad ‘s-Hertogenbosch eind twaalfde eeuw juist te midden van een stelsel van stromen en kreekjes in de delta van Dommel en Aa werd gesticht. De Binnendieze bepaalde de vorm van de stad, en de groei van de stad was op zijn beurt bepalend voor de ontwikkeling van de Binnendieze. De hoofdstraten, de Vughterstraat, de Orthenstraat, de Hinthamerstraat en de Verwersstraat werden aangelegd langs de natuurlijke lopen van Aa en Dommel die in ‘s-Hertogenbosch bij elkaar kwamen. De Binnendieze begon als, en bleef eeuwenlang, het kloppend hart van ‘s-Hertogenbosch. Als vestinggracht, vaarweg en haven, riool, wastobbe, stortplaats, drinkwatervoorziening en viswater. De volders spoelden er hun lakens in. Terwijl de bierbrouwers er hun water uit haalden.

Tot in de 15e eeuw had de Binnendieze op de meeste plaatsen glooiende oevers met al dan niet houten beschoeiing. Dat beeld veranderde toen de aanwonenden kademuren gingen bouwen en het water gingen overkluizen. Er kwamen nieuwe takken bij, oude takken werden gedempt. Boven de Binnendieze kwamen huizen, waardoor het water op veel plaatsen uit het stadsbeeld verdween. In de 17e eeuw telde de stad 175 bruggen. Nu zijn er nog 26 bruggen over de Binnendieze. Ongeveer eenderde deel van de ruim 3,5 kilometer Binnendieze die zijn overgebleven is overkluisd.

Nadat ‘s-Hertogenbosch in 1887 waterleiding had gekregen, en de Binnendieze geen rol van betekenis meer speelde voor het scheepvaartverkeer, bleef alleen de rioolfunctie nog over. En daarmee begon meteen het verval. Want wie onderhoudt een riool?De bouwvallige toestand en instortingen, vervuiling, stank en visie op de inrichting van de stad leidden tot een debat in de Bossche gemeenteraad, begin 1969. De raad nam het fel omstreden besluit om de resterende takken van de Binnendieze bijna in hun geheel te dempen.

Voor de stedenbouwkundige kwaliteit van de Binnendieze in de Uilenburg was wel enige waardering. Daar manifesteerde het watertje zich namelijk duidelijk in het stadsbeeld. Maar de rest van de Binnendieze deed eigenlijk alleen maar afbreuk aan het streven de stad open te gooien voor het autoverkeer en de stad modern vorm te geven, net als Tilburg en Eindhoven. Een belangrijke reden om voor dempen te kiezen was een geldkwestie. Algehele restauratie zou vele miljoenen vergen, naast de tien miljoen(guldens) die ook al nodig waren voor een nieuwe riolering. Niemand wist op dat moment dat het rijk later fors in de geldbuidel zou tasten.

Maar niet iedereen dacht dat dempen onafwendbaar was. Er waren ook mensen die oog hadden voor de stedelijke schoonheid en het historisch belang van de Binnendieze. Terwijl in het debat van januari 1969 nog werd gesuggereerd van de Binnendieze Ondergrondse rijwielstallingen, voetgangerstunnels, openbare toiletten, ‘Beatkelders’ of wijnkelders te maken, wannen nieuwe inzichten over stadsvernieuwing en behoud van oude binnensteden het net op tijd van de naoorlogse vernieuwingsdrang.
De tijdgeest veranderde, de belangstelling voor historische binnensteden nam toe. Het door de Bosschenaren H. Bergé en J. van der Eerden aangevoerde verzet was nog niet succesvol in het raadsdebat waarin over het voortbestaan van de Binnendieze leek te worden beslist. Het symboliseerde echter wel dat er een ommekeer optrad in het denken in ‘s-Hertogenbosch en leidde uiteindelijk tot de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht van de binnenstad van ‘s-Hertogenbosch. Wat nog van de Binnendieze over was werd daardoor alsnog gered. Zo kon in januari 1973 begonnen worden met de restauratie. Deze restauratie kostte uiteindelijk 19,75 miljoen euro en werd in de zomer van 1998 met groot succes voltooid.De verschillende natuurlijke en gegraven takken van de Binnendieze waren in de zeventiende eeuw in totaal 12 kilometer lang. Toen het besluit viel te gaan restaureren, was daarvan nog ruim 3,5 kilometer over. In 1971 loosden nog liefst 850 panden binnen de vesting op het open water van de Binnendieze evenals het gemeentelijke riool.

De restauratie begon in de Uilenburg. Uiteindelijk zijn over een lengte van 3650 meter muren, togen en funderingen van de stadsrivier gerestaureerd. In 25 jaar tijd is er voor 300 ‘mensjaren’ werk verricht.  De overkluizingen en muren boven en langs de Binnendieze zijn eigendom van in totaal ongeveer 450 particulieren. Gezamenlijk hebben zij de afgelopen jaren ook nog eens miljoenen euro’s geïnvesteerd in de restauratie van hun eigendommen.

De voorgeschiedenis

Er was eens ……..  .  Zo beginnen veel sprookjes maar de basis van ’t Zooitje was min of meer het versmelten van twee families gedurende de Carnavalsperiode. Zelfs in die tijd was het al een zooitje want Jan en alleman was welkom.  Vrienden en kennissen van twee families te weten; Fam. van Osch en Fam. Janssen gingen mee en hadden een paar geweldige dagen. Tijdens die ongedwongen saamhorigheid bleek al snel dat structuur een onbekend fenomeen was. Om een klein voorbeeld te noemen. De Pint, tegenwoordig Hof van Holland, was een van de kroegen waar we graag kwamen. Goede sfeer jofele lal muziek en niet al te groot. Het naar binnen gaan was over het algemeen geen probleem, duwen, trekken en een hoop flauwekul tegen de portier. Maar dan kwam het………… . Verzamelen om naar een andere kroeg te gaan. De eerste stonden rap buiten maar de laatste, meestal vrouwen, die kwamen rustig een kwartier later. Met het gevolg dat een van de mannen weer naar binnen ging om ze naar buiten te sleuren, Daarvan was weer het gevolg dat die weer op zijn gemak een pilsje pakte en daarna domweg zei “ik heb alles afgezocht maar kon ze niet vinden hoor”.

Tijdens Carnaval (1983)

werd er geopperd om zelf muziek te gaan maken tijdens Carnaval. Goed idee, zei het, dat niemand een instrument bespeelde. Er werd een verdeling gemaakt wie wat zou gaan bespelen en zo ontstond er een “clubje”.
Het zou nog een jaar duren voordat de uitverkorenen een instrument aangeschaft hadden en lessen ging volgen.

Een paar weken na Carnaval (1984)

komen ze weer bij elkaar en worden de instrumenten definitief aan personen gekoppeld met de beloftes dat er ook lessen gevolgd zouden worden.

De samenstelling:

Grote trom
Kleine trom
Bekkens
Trombone
2 Trompetten
Saxofoon

De eerste repetitie

Vier maanden voor Carnaval ( nov. 1985)……….. . Op zolder bij een van de muzikanten.
Een herrie “niet te filmen”. Het repertoire werd ingestudeerd. We hadden op de kop getikt;
Er steht im Tohr, Den Bosch is mooier dan Parijs, Ik ken munne mens niet veinde.
Van meerstemmige muziek hadden we nog nooit gehoord temeer dat er slechts 4 muzikanten lessen gevolgd hadden. Dynamiek was er wel namelijk HARD, HARDER EN HARDST.

Het tenue en de clubkleuren

Onze vrouwen, vriendinnen en bijslapen zaten ook niet stil en hielden zich in groepjes bezig met naaien. In een verbouwde schuur bij een van de leden werd de carnavalskleding gemaakt in de kleuren rood en zwart dat tot op de dag van vandaag nog steeds de basis is.
Het enige wat duidelijk veranderd is, is de uniformiteit. Identieke kleding hoeft niet meer maar als het maar ROOD/ZWART is.

De eerste Carnaval met muziek

Carnaval 1985 kon dus beginnen, met 3 muzieknummers en in tenue rood/zwart gingen we
zondag, maandag en dinsdagavond de stad in. Al snel lieten we het nummer
‘ik ken munne meins niet veinde’ vallen, het zal wel in die tijd te hoog gegrepen zijn, en
trokken met de 2 overgebleven nummers van kroeg tot kroeg. De Neuf – Brasserie –
Oetelpaleis – Portorico – Casino – kerkpleintje en de markt waren gelegenheden waar we
onze muzikaal konden uitleven. Vol trots en met veel enthousiasme lieten we ons muzikaal
gaan, in onze gedachten maakten we de beste carnavalsmuziek van Den Bosch.

Het sprookje is inmiddels vele jaren verder en niemand weet hoe het af zal lopen……………….

Menu

Geschiedenis
Den Bosch
Allerlei